NEW YORK - THE BIG GRID I



Ik heb iets met New York. Kijk maar op S.O.M. II.

In 1789 werd New York de eerste hoofdstad van de pas opgerichte United States of America.

In 1825 was New York door het Eriekanaal verbonden met de Grote Meren waardoor de handel met het vruchtbare Midden-America en ook met Canada floreerde en havenactiviteiten van New York een enorme groei kende.

De activiteiten rond Lower Manhattan begonnen uit de hand te lopen. 
De stadscommissie die zich met stadsontwikkeling bezig hield, zag jaarlijks het aantal immigranten toenemen en het eerder willekeurig en grillige stratenplan, zoals we dat in Greenwich Village nog terugvinden zou een efficiënte ontwikkeling van New York in de weg staan.

In 1797 vroeg de stad aan Joseph Mangin en Casimir Goerck naar een opmeting van de straten in Manhattan. 

Ze tekenden er ook een toekomstig ontwikkelingsplan bij, een beetje in functie van de speculatieve plannen die door de grondbezitters in het noordelijk gedeelte van het schiereiland reeds opgemaakt waren.

Merkwaardig genoeg verwierp de gemeenteraad dit ontwikkelingsplan.

 
In 1807 liet de stadsraad verstaan dat ze een nieuw plan wou, zeer tegen de zin in van de oppositie, politieke fracties en niet in het minst van diegenen die zich als landeigenaar, bezetters van grote delen van het schiereiland beschouwden.

Het protest en de weerstand tegen deze intenties noopten de stad om de hulp in te roepen van de federale overheid.

De stadsraad formuleerde de opdracht als “ laying out Streets... in such a manner as to unite regularity and order with the public convenience and benefit and in particular to promote the health of the City ... [by allowing] a free and abundant circulation of air".

De straten dienden derwijze ontworpen te worden dat ze regelmaat en ordening moesten combineren met het publieke voordeel en gebruik en zeer in het bijzonder de gezondheid van de stad voor ogen moest hebben door een meer dan adequate luchtcirculatie toe te laten.

In die tijd dacht men dat heel wat ziekten afkomstig waren van de slechte lucht.

De federale overheid stelde een commissie samen bestaande uit Gouverneur Morris, de jurist John Rutherford en Simeon De Witt, de landmeter van de staat, om een stratenplan van de Manhattan op te maken.

De commissie kreeg van de staat exclusief de bevoegdheid om het nieuwe stadsplan te ontwikkelen met straten, wegen en publieke pleinen die volgens haar inzichten moet leiden tot het algemeen belang en dat geen rekening moet houden met reeds aangelegde straten of delen van straten. Het gebied waarvoor de commissie bevoegdheid kreeg besloeg heel Noord Manhattan, vanaf Houston Street en van de Hudson naar East Rivers, tot 600 voet van de laagwaterlijn.


De leden van de commissie kregen hiervoor een vergoeding van 4 $ per dag (actuele waarde in 2015 : 80 $ per dag) en het belangrijkste was waarschijnlijk dat de leden zich overal mochten begeven, zelf op wat als privaat domein werd aanzien. Dat laatste kon helemaal niet rekenen op de instemming van diegenen die zich landeigenaar noemden.

Om het werk te velde uit te voeren stelden ze John Randel jr. aan als hoofdingenieur en landmeter.
John Randel had het niet gemakkelijk. Door de sheriff werd hij regelmatig vervolgd, na klachten van de eigenaars, voor schade aan en het negeren van omheiningen, vanwege het onrechtmatig betreden van gronden en eigendommen en ook vanwege het snoeien van takken om zijn metingen te kunnen uitvoeren.


Een belangrijke discussie die gevoerd werd binnen de commissie was het aan te nemen stratenpatroon. 

Zouden ze gaan voor een rechthoekig grid zoals in Philadelphia, Charleston, New Orleans of, zouden ze gaan voor meer complexere vormen zoals de stedenbouwkundige L’Enfant had gedaan voor de aanleg van Washington met zijn bogen en cirkelvormige patronen ?

Uiteindelijk besliste de Commissie om te gaan voor een rechthoekig patroon omdat dit de meest praktische en de meest economische oplossing was en dat ook voor de toekomstige bouwers zeer goed uitkwam. Rechthoekig gebouwde huizen waren immers de gebruikvriendelijkste om in te wonen. De commissie was vooral ervan overtuigd dat een ‘neutraal’ en strikt plan, zonder assen, accenten en hoogtepunten, de gelijkheid en evenwichtigheid in het gebruik, in de hand zouden werken.

Lees verder op :  http://bouwmaster.blogspot.be/2016/01/new-york-big-grid-ii.html 

HAUSSMANN IN GENT

We hebben het op deze blog reeds eerder gehad over de onteigeningsmogelijkheden in de 19-de eeuw.

Eerst in Parijs, dan in België.

Maar ook in Gent was een zogenaamde saneringsoperatie nodig en werden de Haussmanniaanse praktijken toegepast.



De zone tussen het nieuw aangelegde Zuidstation en de kathedraal was een probleemgebied met steegjes en kromgegroeide straatjes. 

Het Zollikofer plan zou hierin verandering brengen. 
De Vlaanderenstraat zou vanuit het Zuidstation vertrekken en halfweg splitsen in de Limburg- en de Henegouwenstraat, stadinwaarts. 

Het gaf immers geen pas dat de reizigers vanuit het Zuidstation enkel via duistere straatjes en steegjes het centrum kon bereiken.

Het plan was uitgetekend door architect Edmond De Vigne en Ingenieur Eduoard Zollikofer. Ze werkten in opdracht van de Brusselse Compagnie Immobilière de Belgique

Het akkoord dat in 1880 tussen de stad Gent en Compagnie bekrachtigd werd,  bestond er in dat de stad alle kosten voor de aanleg van de infrastructuur op zich zou nemen en dat de Compagnie de kosten voor aankoop van de gronden en huizen zou bekostigen. 

De winst uit de verkoop van de percelen aan de burgerij was voor de Compagnie
Voorwaar geen slechte regeling voor de Compagnie.

En  langs deze nieuwe lanen verschenen nieuwe burgerswoningen, vier lagen , naar Haussmann’s model maar ook een beetje meer op z’n Belgisch: meer pompierstijl, eclectisme en m’a tu vu architectuur.

Zo’n sneden midden in een dichtgegroeid stedelijk weefsel zorgt voor heel wat conflicten. Op sociaal-economisch vlak zeker – steeds wordt iemand beter van het gedupeerd zijn van anderen – maar ook ruimtelijk, vormelijk ontstaan er conflicten. 

Het onteigeningsplan werd door de gemeenteraad op 5 aug 1882 bekrachtigd en in december van datzelfde jaar als Koninklijk besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

De werken startten in 1883 en duurden tot 1889. 
Vanaf 1886 werden de eerste huizen opgetrokken en rond 1889 waren de straten reeds dicht gebouwd.

Om tot deze sanering te kunnen overgaan werd omschreven als een ellendige hoop beluiken, waar armoede en ontucht nevens elkaar woekerden, te midden van eenen lucht verpest door de uitwasemingen die opstegen uit de wateren der Oude-Schelde en welke niet gekalsijde straten tot modder doorweekt waren.

Of armoede en ontucht opgelost werden door uitroken en slopen is nog maar de vraag. Dat deze remedie op zo korte termijn er kon doorgejaagd worden heeft te maken met de samenstelling van de diverse besturen. 

Tot 1893 hadden enkel burgers die voldoende belastingen betaalden stemrecht.
Van 1893 tot 1918 bestond er het meervoudig stemrecht. Dit wil zeggen dat burgers boven 25 jaar minstens één stem hadden maar, naar gelang de hoeveelheid belastingen die ze betaalden, tot vier stemmen per burger konden verwerven.
Vanaf 1918 werd het enkelvoudig stemrecht ingevoerd voor de mannelijke bevolking. Vanaf 1948 mochten ook vrouwen stemmen. 

Zolang de bezittende klasse exclusief aan de macht was, waren dergelijke onteigeningsoperaties mogelijk. 
De democratische manier waarop besturen nu zijn samengesteld maken dergelijke stedenbouwkundige ingrepen onmogelijk.

Waar we nog steeds mee geconfronteerd worden is het ontstaan van percelen die te klein zijn om de nieuwe vrije gewenste ruimte mogelijk te maken. 

Maar nood brak wet in dergelijke gevallen. 

Dat merk je meer dan een eeuw later nog: percelen die amper vijf meter bouwdiepte hebben waarvan het bouwvolume dubbel zo hoog uitsteekt boven de omgeving en aan de achterzijde wachtgevels opwerpen waar wachten op aanbouw nog steeds de voornaamste functie is. 

Zoals hier aan de Kalandenberg.

DE JUISTE SCHAAL - I

Onlangs heb ik werk gezien van EVOL.

Betonblokjes van verschillende grootte die eruit zagen als appartementblokjes.

Van klein naar groot met allemaal dezelfde raampjes.

Voor wie zou denken dat dit een wetenschappelijk instituut is waar men via de schotelantennes het universum afspeurt naar nieuwe zwarte gaten, wel die heeft het mis voor. Die schotelantennes stillen de honger naar beelden en amusement.
Geloof mij maar.

Het laten verdampen van tijd door kastje kijken.


EVOL, een kunstenaarscollectief waar ik niet zoveel over weet, speelt met de schaal.




Hoe groter de stapeling, hoe groter de verdwazing.
Deze stapels worden torens maar hebben niets van een toren.
Een toren is trots.
Een toren is een statement.
Desnoods nutteloos, onfunctioneel maar hij staat er toch maar.


Stapelen doe je uit plaatsgebrek.

Die jongens van EVOL amuseren zich met het straatmeubilair. Vooral het straatmeubilair dat we verplicht zijn erbij te nemen.

Zoals elektriciteitskasten.
Ze zien er uit als appartementen op de schaal van Madurodam. Dat stadje sluit jammer genoeg nauwelijks aan met de realiteit van onze omgeving zoals ze is.









Het werk van EVOL doet mij direct denken aan de Faller - reeks van Michaël Borremans.

Een Faller-huisje was het ideale verjaardagscadeautje voor jongetjes met een miniatuurtrein.

Niet eens duur, je stak er tijd om om ze in elkaar te knutselen en je kweekte wat handvaardigheid bij.

Michaël Borremans is ook teruggekeerd naar zijn jaren in korte broek en  speelt met de schaal.

Zie het publiek op de achtergrond.
Het lijken reuzen tegenover de lilliputertjes op de voorgrond. 

Een schaalmodel dat - gelet op de museale ruimte waarin het staat - 100 keer zijn volume heeft ingenomen.
Hier kan je van alles bij beginnen te verzinnen.
De reis begint in je hoofd.
Jonathan Swift liet zich via Gulliver ook al verdwalen in al zijn fantasie.

Waar wacht u op. 


LA TOUR SAINT-ALBERT IV

Dat François Schuiten een boon heeft voor La Tour Saint-Albert moet ons niet verwonderen. Schuitens strips gaan over architectuur, wat we ermee doen of net niet doen, en af en toe krijgt de architectuur zelfs een rol in het verhaal.

Klik naar de vorige pagina's La Tour I, II en III.

Eén van zijn albums heet overigens La Tour. Eén uit de reeks Cités Obscures. Te tittel alleen al.

In zijn tekeningen zijn die torens natuurlijk machtige landmarken die een rol te vervullen hebben.

La Tour Saint-Albert heeft zijn rol uitgespeeld. Een gebouw als een maatpak op een plaats waar er niet direct behoefte is aan een andere invulling.

Ingepland in een open landschap, langs een afgrijselijk lintbebouwde chaussée zoals er jammer genoeg te veel zijn in dit wanordelijke land.

De staat van het gebouw is ook niet van die aard dat je mond openvalt van bewondering voor de hoge graad van degelijke en vakkundige uitvoering.

Ik kan mij dat wel een beetje inbeelden. Die liftschacht werd in een snel tempo gebouwd, met geld dat uit de hemel kwam gevallen - het Marshall plan, weet u nog ?. Veel tijd investeren in kwaliteitscontrole was waarschijnlijk niet zo'n prioriteit.

Vijfenzestig jaar na de realisatie laat het beton zijn geraamte zien - wapening die op heel veel plaatsen bloot zit; daar zijn heel veel kosten aan. Betonrot noemt men dat.

En een erg energievriendelijk gebouw zal het ook niet vlug worden.

Men heeft het zeer ver laten komen en daar zitten we nu mee.
Geen zinnige invulling, geen interessante locatie, geen bevlogen eigenaars, geen centen.

Gebouwen als deze hebben reeds van bij het ontwerp iets dramatisch over zich. Ze zijn stoer, gezond, nuttig, kostbaar, onmisbaar voor de tijd dat wij willen dat ze dat zijn.
Het is niet evident dat dergelijk maatwerk op die plaats een eeuwig leven beschoren krijgt.

Of we moeten leren leven met loslaten, of we moeten tijdig investeren in de toekomst van onze gebouwen waarvan we van mening zijn dat ze een langer leven verdienen dan dat waarvoor ze bedacht zijn.

Misschien moeten we wel jaarlijks een recupel taks op merkwaardige gebouwen heffen, om ze hoop te kunnen geven op een nieuw leven.

LA TOUR SAINT - ALBERT III

Die Tour Sint-Albert (I & II) heeft onze aandacht getrokken door de affiche van een tentoonstelling van de onvolprezen striptekenaar François Schuiten.

In het Centre de l'Imprimerie in La Louvière loopt immers een tentoonstelling met recent werk van hem en de affiche geeft de toren weer.

Eerst dachten we een deel van het gebouw Wiels te herkennen maar bij nader toezicht bleek het een oproep te zijn om iets zinnigers met deze toren te doen dan hem af te breken.









Die Tour was op zich een vindingrijk idee.

In plaats van vijf verschillende liftschachten te bouwen hebben ze één centrale lift gebouwd die vijf sites met elkaar verbond.

Vandaar werd het puin getransporteerd naar de triage-lavoir die daar ongeveer één kilometer vandaan ligt.

Met die triage-lavoir was het na het stopzetten van de activiteiten al even erg gesteld als met de toren.

Zo erg dat men in 2000 het plan opvatte om deze triage-lavoir te slopen.

Dat was echter zonder de vindingrijkheid van Elio Di Rupo gerekend.

Ooit zal het ervan komen dan een aantal nationale instellingen zoals de Albertina bibliotheek, het  Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, het Koninklijk Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek en de Senaat, opgesplitst wordt.

Sinds 2009 zijn ze daarop vooruitziend en Di Rupo besliste om die triage-lavoir volledig te laten restaureren om er de reserves van deze instituten onder te brengen en er een nieuw onderzoekscentrum aan te koppelen.


Niet te onderschatten wat Di Rupo voor zijn streek doet. En ze laten er ook geen gras over groeien.

Vandaag ziet die triage-lavoir er al heel wat properder uit en ik durf wedden, tegen volgende verkiezingen ook toegankelijk.

Ik weet niet of ergens in Vlaanderen een even vooruitziend project reeds opgestart is om het 'Vlaamse' deel van die erfenis in onder te brengen.

Al enig idee wat we met die toren dan gaan doen ?


LA TOUR SAINT-ALBERT - II

Die Tour Saint-Albert bezorgt de gemeente Binche heel wat hoofdbrekens. (zie La Tour Saint-Albert I)

Die Tour is momenteel eigendom van de energiemaatschappij Fluxys, die die toren liever kwijt dan rijk is.

Fluxys heeft reeds een stedenbouwkundige vergunning ingediend voor sloping.

Wegens hoogdringendheid.

Dat hadden ze beter niet gedaan want een actiegroep voor het behoud van de toren is hiermee naar de Raad van State gestapt en heeft de slopingsvergunning vernietigd daar de hoogdringendheid niet werd aangetoond.

De actiegroep zou willen dat Fluxys gedwongen wordt om de noodzakelijke onderhoudswerken aan te vatten zoals het een goede huisvader betaamt.

Een verzoek om het gebouw op de lijst van de beschermde monumenten te krijgen is hangende. Het Waalse gewest aarzelt echter. Niet omwille van de historische waarde, maar omwille van de centen. Er is al heel veel geld gegaan naar restauraties van oude mijn sites en deze is er één teveel aan het worden.

Er circuleren ideeën om er een restaurant in te maken maar eerlijk gezegd, het aantal couverts die hier moeten opgediend worden om de restauratie te betalen, ligt hoger dan het aantal ton kolen dat ze dagelijks naar boven haalden.

Voorlopig wordt het gebouw aan de voorzijde gebruikt voor een spiksplinternieuwe car-wash. Hopelijk houden de mensen van de Borinage van propere auto's.

Langs de achterzijde wordt het gebouw gebruik door een afval sorteerbedrijf maar het leek ons eerder een rommelig zootje dan een bedrijf die naam waardig.

Zowel de provincie als de gemeente hebben reeds bedankt voor een de schenking van het gebouw, al was het maar voor één symbolische euro.

Hebt u enig idee wat we met die toren zouden kunnen aanvangen ?




LA TOUR SAINT - ALBERT - I

De chaussée Brunehaut op weg naar Binche zegt u waarschijnlijk niets.

Wallonia ken ik ook niet zo goed maar onlangs ben ik er speciaal langs gereden.

Reden: daar staat de Tour d'extration de Saint-Albert te verkommeren.



Gebouwd in 1950 door de Groupe Coppée a Péronnes, één van de toen nog floriante mijnbedrijven uit de Borinage, met de centen van het fameuze Marshall-plan.

Die Tour is in feite een gebouw dat een mijnenlift bevatte.

Dat bleek toen vernieuwend te zijn - toch minstens een goed alternatief voor de traditionele staalconstructies die we bij elke mijnsite kennen.

De keuze was eenvoudig: die stalen constructies vroegen veel onderhoud en waren zeer onderhevig aan corrosie.

Het gebouw werd gerealiseerd in 18 maanden en beschikte over een lift die volgens de officiële publicaties, tot 2.000 ton kolen per dag naar boven kon halen.

Een enorme hoeveelheid wat met zich meebracht dat de mijn vlugger leeg geschraapt was. Dat heb je nu eenmaal met vooruitgang.

Volgens de jongens die pleiten voor het behoud van de toren, waren dat 3.000 ton per dag. Dat heb je nu eenmaal met enthousiastelingen.

Het is een baken waar je niet naast kijkt, temeer daar het op een heuvelrug staat.
64 meter hoog.

Ter vergelijking: ik heb mij laten wijsmaken dat de Sint-Baafskathedraal in Gent 80 m hoog is en de universiteitsbibliotheek van Henri Van de Velde zou 40 m hoog zijn.



Langs de straatzijde is het gebouw redelijk strak.

Naar het zuiden toe heeft het een frivole boogvormig overkraging.

Waar de machinekamer was had je een prachtig uitzicht over het landschap.

Om die reden alleen zou je al liever machinist worden dan mijnwerker.


Maar de mijn sloot al in de zeventiger jaren. En zoals vaak gebeurt met gerief dat we niet meer gebruiken en te zwaar en te lomp is: dat laten we verkommeren.

Wat er verder mee gebeurt leest u in een volgende bijdrage.

STEMPELEN

Ik acht het mijn plicht de bevolking in te lichten dat vanaf heden al mijn documenten onderstempeld zullen worden.

Zoals bij de administratie.

Als reactie op alle elektronisch verkeer.

Documenten zonder stempel zijn dus niet echt en waar verklaard.

Even had ik nog aan een reliëfstempel gedacht. Om het helemaal authentiek te maken.
Want daar gaan we voor, dit jaar, voor authenticiteit.
Net zoals alle vorige jaren overigens.

VOORSPELLING VOOR 2016

Ik kan een paar dingen voorspellen voor 2016.


 Hier gaan we verder gaan werken.

Dit wordt iets wree wijs















En hier droom ik al lang van.













En dat ziet er op het einde van het jaar al helemaal anders uit.